Een korte geschiedenis van de economische wetenschap
Wie economie zegt, zegt meestal meteen: Adam Smith. Hij wordt vaak gezien als de “vader” van het vakgebied. Maar het verhaal van de economische wetenschap begint eigenlijk eerder – en dat maakt uit, zeker nu we opnieuw nadenken over energie, geld en de grenzen van onze planeet.
|
|
In dit artikel neem ik je mee door de belangrijkste economische denkrichtingen van de afgelopen drie eeuwen. In eenvoudige taal, zonder wiskunde, zonder jargon. Want economie gaat in de kern over hoe we onze samenleving organiseren.
0 Opmerkingen
Aken is onlosmakelijk verbonden met Karel de Grote. Vanuit deze stad bestuurde hij zijn immense rijk, dat na de val van het Romeinse Rijk de eerste grote poging vormde om Europa weer als één geheel te organiseren.
Vele eeuwen en oorlogen later lag die Europese eenheid na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog opnieuw aan gruzelementen. De behoefte aan vrede en samenwerking was groter dan ooit. In dat licht wordt Karel de Grote vaak gezien als een inspiratiebron voor de moderne Europese integratie.
Dit is de titel van een video van J.D. Alt. Daarin minuten geeft hij in 30 minuten een illustratieve weergave van werking van onze economie. Stapsgewijs laat hij zien dat de hoe er in het algemeen wordt gedacht over de economie niet juist is en vervangt dat door de juiste zienswijze. Het laat ook de potentie zien van dit systeem, maar dan moeten we het wel eerst begrijpen.
In deze post vertel ik zijn verhaal in mijn eigen woorden, gebruikmakend van zijn illustraties.
Met enige regelmaat klinkt de oproep aan Nederlanders met spaargeld: steek het in startups, in innovatie, in de economie van morgen. Die ondertoon zat ook duidelijk in een artikel in het AD van 22 december 2025 (https://www.ad.nl/economie/geld-nodig-voor-economie-en-daar-moet-ons-spaargeld-bij-helpen-beleggen-is-fiscaal-niet-aantrekkelijk~ad995218/). De boodschap: spaarders moeten meer risico nemen, want anders komt de innovatie niet van de grond.
Maar die redenering wringt. Het suggereert dat Nederlandse spaarders te voorzichtig zijn -- terwijl het echte probleem ergens anders zit. In deze post leg ik uit waarom de focus op spaarders misplaatst is, en waarom het vooral de overheid en de banken zijn die hun rol moeten pakken.
Op deze site heb ik het vaker gehad over sectoral balances. Dat is een manier om naar de economie te kijken op macroniveau: hoe dragen bedrijven, huishoudens, de overheid en het buitenland samen bij aan de economische bedrijvigheid in een land?
We kijken dus niet naar één bedrijf of één consument, maar naar het grote geheel. Bedrijven maken producten en verkopen die aan consumenten. Om die producten te maken hebben ze werknemers nodig. Die werknemers krijgen loon, en met dat loon kopen ze weer producten. Zo komt het geld dat bedrijven uitbetalen via de verkoop deels terug. Maar… niet al het verdiende geld wordt uitgegeven. Een deel wordt gespaard. Dat geld verdwijnt tijdelijk uit de kringloop van productie en consumptie. Het gevolg? Bedrijven ontvangen minder geld dan ze aan lonen hebben betaald. Er ontstaat een gat. In een gesloten economie (zonder buitenland) moet de overheid dat gat vullen. Doet ze dat niet, dan krimpt de economie. Het begrotingstekort van de overheid moet dus ongeveer gelijk zijn aan het bedrag dat burgers en bedrijven samen sparen. De Euro is niet volmaakt - verre van. De totstandkoming is gebaseerd op verkeerde vooronderstellingen over de werking van de economie en de rol van de officiële staatsmunt daarbij. Er zijn mijn inziens vergaande hervormingen nodig. Een belangrijke constatering die tegenwoordig breed wordt uitgemeten in de media is dat Europa in economisch opzicht behoorlijk achterop is geraakt ten opzichte van de VS en China. In Europa blijven de meeste politici en economen hameren op het belang van begrotingsdiscipline en het gevaar van hoge staatsschulden. Om die reden lijken ze haast een heilig geloof te hechten aan de bepalingen van de Stabiliteits- en Groeipact (SGP) met daarin de regels voor het maximale begrotingstekort en de maximale staatsschuld van respectievelijk 3 en 60 procent van het BBP. Mij valt op dat de Europese cijfers over begrotingstekort en staatsschuld significant afwijken van die van de VS en China.
Het aantal berichten over de digitale euro is de laatste tijd flink toegenomen. Het lijkt erop dat deze nieuwe vorm van geld er echt gaat komen. Maar wat is het eigenlijk? Wat kunnen we ermee? Waarom zouden we het moeten willen – en waar moeten we op letten?
In dit artikel geef ik achtergrond en uitleg over de digitale euro. Niet alles is al duidelijk, maar hopelijk helpt dit om de grote lijnen te begrijpen.
Ik heb al vaker het spel Monopoly gebruikt om uit te leggen hoe de economie werkt:
Het spel bestaat al sinds het begin van de 20e eeuw. Oorspronkelijk is het bedacht om te laten zien dat een kapitalistisch systeem – zonder de juiste regels of grenzen – vanzelf leidt tot ongelijkheid. Wie eenmaal een voorsprong heeft, wordt steeds rijker. De rest raakt achterop.
In dit artikel gebruik ik het bekende bordspel om uit te leggen hoe staatsobligaties werken. Niet als manier voor de overheid om geld te lenen – dat kunnen ze immers zelf maken – maar als manier voor mensen met vermogen om hun geld te laten groeien.
Volgens een recent artikel in ESB, geschreven door onder anderen Hans Vijlbrief (D66), zijn er drie grote problemen:
In de Volkskrant verscheen vandaag een interview met de Franse econoom Philippe Dessertine, hoogleraar aan de Sorbonne Universiteit in Parijs. Hij slaat alarm:
Frankrijk staat volgens hem aan de rand van een financiële afgrond. De staatsschuld is zo hoog opgelopen dat een steeds groter deel van het geld naar rente gaat, in plaats van naar belangrijke investeringen zoals kunstmatige intelligentie en defensie. Als het vertrouwen in Frankrijk verder afneemt, dreigt een financiële crisis. En dat raakt niet alleen Frankrijk, maar ook Nederland en de rest van Europa. Maar hoe komt het eigenlijk dat Frankrijk zo diep in de schulden zit? Daarvoor moeten we breder kijken – naar het economische beleid binnen de Europese Unie, en vooral naar Duitsland..
In mijn vorige artikel introduceerde ik, geïnspireerd door Abba P. Lerner, twee indicatoren om het effect van overheidsmaatregelen op de economie te beoordelen: prijsstabiliteit en werkgelegenheid. Maar hoe praktisch zijn deze indicatoren eigenlijk?
Een eerste vraag is of de overheid nog voldoende reactietijd heeft wanneer de economische signalen verslechteren—zoals oplopende inflatie of stijgende werkloosheid. Of is het al te laat zodra de indicatoren uitslaan? De economie lijkt in dit opzicht op een olietanker: traag reagerend op koerswijzigingen.
Een tweede vraag betreft de institutionele scheiding tussen regering en centrale bank. Is deze tweedeling wel zo efficiënt? Het risico bestaat dat beide instellingen elkaar tegenwerken. Denk aan een schip met twee kapiteins: één aan het hoofdroer en één aan de boegschroef. Die boegschroef is bedoeld voor fijnmazige manoeuvres, zoals aanleggen. Maar als beide kapiteins een verschillende koers voor ogen hebben en hun roeren onafhankelijk van elkaar bedienen, wordt het schip moeilijk bestuurbaar.
De Britse regering wil de economie stimuleren door meer geld uit te geven aan defensie. Maar volgens een onderzoek dat besproken wordt op BNR, levert dat plan weinig op. De defensiecontracten zorgen nauwelijks voor extra banen, en het geld dat naar defensie gaat, kan niet meer worden besteed aan andere publieke voorzieningen zoals zorg of onderwijs.
Dat klinkt logisch, maar er zit een denkfout in: het idee dat de overheid een vast bedrag te besteden heeft, en dus moet kiezen waar ze dat aan uitgeeft. In werkelijkheid werkt het anders.
De staat leent niet! Wat staatslening of staatsobligatie wordt genoemd, is eigenlijk een spaarbewijs voor wie zijn geld veilig bij de staat wil stallen. Dat was het onderwerp van mijn vorige artikel.
In een eerder artikel legde ik al eens uit hoe de staatsfinanciën werken, aan de hand van een denkbeeldige woongemeenschap. Die gebruik ik nu opnieuw om uit te leggen wat staatsobligaties zijn.
In een eerder artikel liet ik zien dat de overheid eigenlijk lijkt op de bank in het spel Monopoly. Die bank kan niet failliet gaan en geeft geld uit voordat ze het weer terugkrijgt via belastingen. Zo werkt het ook met de staat: ze hoeft niet eerst geld te verdienen voordat ze het uitgeeft. Door geld uit te geven, brengt de staat juist geld in omloop – geld dat uiteindelijk terechtkomt bij gezinnen en bedrijven.
Dat komt doordat de staat een andere rol speelt in de economie dan jij en ik, of een bedrijf. De staat creëert het geld en het systeem waarin wij allemaal met elkaar handelen. Maar als de staat geld kan maken, waarom hebben we dan belastingen nodig? Dat is precies waar dit artikel over gaat. Want hoewel belastingen niet nodig zijn om de plannen van de overheid te betalen, zijn ze wél essentieel voor een goed werkende samenleving.
Het is een kunst om complexe onderwerpen begrijpelijk te maken. Op deze site probeer ik dat te doen door economische en maatschappelijke thema’s helder uit te leggen. Een krachtig hulpmiddel daarbij is de metafoor: een vergelijking die abstracte ideeën tastbaar maakt. Maar dan moet je wél de juiste metafoor kiezen.
Vadertje Staat als huishouden? Liever niet.
Op 27 juli 2025 hebben de Europese Unie en de Verenigde Staten een nieuwe handelsdeal gesloten. De uitkomst? Voor import van Europese producten moet voortaan 15% invoerbelasting betaald worden. Daarbovenop belooft Europa meer te investeren in Amerika en meer Amerikaanse energie af te nemen. Amerikaanse bedrijven daarentegen kunnen hun producten zonder extra kosten naar Europa blijven sturen.
Veel mensen zijn boos. Waarom heeft Ursula von der Leyen dit zomaar geaccepteerd? Sommigen proberen het nog goed te praten: “Het had erger kunnen zijn.” Maar hoe zit het eigenlijk?
In de afgelopen weken is de politiek druk geweest met de financiering van het benodigde geld voor extra spullen voor ons leger en dat van Oekraïne. Eigenlijk is het vinden van dat geld het minste probleem. Ook bij Corona en bij de bankencrisis bleek er in mum van tijd heel veel geld beschikbaar te zijn. Een veel grotere uitdaging ligt naar mijn mening in de besteding van het geld. Wat zijn de juiste producten die gemaakt moeten worden? Tanks of liever drones of moeten we juist investeren in onze technologische flexibiliteit zodat we in staat zijn om razendsnel onze productie aan te passen? Welke standaarden gaan we daarbij volgen?
Hoe zorgen we ervoor dat bedrijven bereid zijn de noodzakelijke voorbereidingen en investeringen te doen? Moet de overheid zelf een belang nemen in essentiële bedrijven, of zijn langjarige gegarandeerde opdrachten het juiste middel?
Steeds vaker wordt de laatste tijd het woord 'oorlogseconomie' gebruikt. Hoe is Europa in staat om op korte termijn het materieel te produceren dat nodig is om Oekraïne te steunen en om een afdoende afschrikking op te bouwen voor de eigen veiligheid? Een van de aspecten daarbij is de impact op de economie. Dat roept veel vragen op, zoals: Hoeveel geld is daar wel niet voor nodig? Waar halen we dat vandaan? Moeten we dat lenen of zijn er andere mogelijkheden? Maar ook: wat is het effect als Europese bedrijven en burgers geld gaan verdienen aan producten die ze zelf niet kunnen kopen? Oftewel: er wordt geld verdiend zonder dat daar extra consumptie tegenover staat. Spoiler: Inflatie gevaar!
Afgelopen zondag (26 januari 2025) was Sandra Phlippen, hoofdeconoom bij ABN AMRO, te gast bij Buitenhof (Wat betekenen Trumps plannen voor de economie? | Sandra Phlippen | Buitenhof). Ze werd door Twan Huys gevraagd naar de economische consequenties van de door Trump aangekondigde verhoging van de importheffingen. Trump wil hiermee iets doen tegen het grote handelstekort van de VS. In zijn ogen exporteert het buitenland teveel naar de VS. Je kunt natuurlijk ook zeggen dat de VS teveel importeert, maar Trump wijst nu eenmaal graag met een beschuldigende vinger naar andere landen. Trump ziet het handelstekort als een belediging door het buitenland.
Naar aanleiding van mijn vorige post (zie: www.chielharmsen.nl/home/trudeau-vs-freeland) kreeg ik de vraag: Wat zijn volgens jou de grenzen aan hoogte en duur (van die hoogte) van de staatsschuld?
Naar aanleiding van het bericht op nos.nl: Canadese minister van Financiën weg na ruzie met Trudeau over Trumps tarieven.
De Canadese premier, Trudeau, en zijn minister van Financiën, Chrystia Freeland, zijn met ruzie uit elkaar gegaan. Ze verschilden te veel van mening over de manier waarop de door Trump aangekondigde heffingen moeten worden opgevangen. Met kennis van de financieringssaldi (zie Duits exportoverschot zorgt voor Franse staatsschulden) kunnen we de situatie in Canada duiden en een beoordelen wie er (meer) gelijk heeft: Trudeau of Freeland? Over financieringssaldi en handelsverhoudingen
In mijn vorige post (zie Nieuwe spelregels nodig voor de Euro) heb ik betoogd dat de grote verschillen in de staatsschulden van de EU-landen in belangrijke mate veroorzaakt worden door de scheve handelsverhoudingen binnen Europa. Duitsland en Nederland zijn grote exportlanden. Frankrijk en Italië importeren juist veel meer dan ze exporteren. In feite betalen Franse en Italiaanse afnemers mee aan de welvaart in Duitsland en Nederland en om hun eigen welvaart op peil te houden moeten de Franse en Italiaanse overheden beduidend meer uitgeven dan ze binnen krijgen, met oplopende staatsschulden tot gevolg. Ook heb ik erop gewezen dat Duitsland zijn grote exportoverschot te danken heeft aan decennialange loonmatiging, waardoor Duitse producten kunstmatig goedkoop werden gehouden.
Er bestaat dus een samenhang tussen de handelsverhoudingen tussen de landen van Europa en de hoogte van de overheidstekorten van die landen. Hoe dat zit probeer ik in deze bijdrage uit te leggen.
Al een tijd probeer ik anderen ervan te overtuigen dat we af moeten van de benauwende regels van het Stabiliteits- en Groeipact (SGP) van de EU. Met name de regels over het maximale financieringstekort van de overheid (3% t.o.v. het BBP) en de maximale staatsschuld (60% t.o.v. het BBP). Noodzakelijke investeringen in de samenleving worden door politici tegengehouden omdat we dan de EU-regels dreigen te overtreden.
Dit geeft mij het gevoel dat we collectief op onze handen zitten, terwijl er zoveel werk aan de winkel is.Het volledig afschaffen zal voorlopig nog een brug te ver zijn. Maar we zouden de normen wel kunnen versoepelen. |
MMT aan de hand van een eenvoudig voorbeeld:Categorieën
Alles
|




















