Weimar, Versailles en de les die we vaak vergeten
In mijn vorige artikel beschreef ik hoe de Europese Unie is ontstaan onder sterke invloed van het neoliberale denken. Volgens mij werkt die erfenis nog steeds door in de Europese economie en samenleving. In dit artikel wil ik dieper ingaan op één van de belangrijkste ideeën achter dat denken: de grote angst voor inflatie.
Bij de vorming van de euro speelde de Duitse afkeer van inflatie een dominante rol. Dat is niet zo vreemd. Duitsland draagt nog altijd de herinnering mee aan de hyperinflatie van de jaren twintig van de vorige eeuw. In het publieke debat wordt daar nog vaak naar verwezen. Zodra er sprake is van extra overheidsuitgaven of geldschepping klinkt al snel de waarschuwing dat de geldpers weer wordt aangezet en dat dit uiteindelijk tot hoge inflatie zal leiden.
Maar die vergelijking met het Duitsland van toen gaat mank.
Om te beginnen ontstaat tegenwoordig het grootste deel van het geld niet bij centrale banken, maar bij commerciële banken. Wanneer een bank een lening verstrekt, creëert zij tegelijkertijd nieuw geld. Naar schatting komt meer dan 95 procent van de geldcreatie op deze manier tot stand. Centrale banken weten dat inmiddels ook. Daarom proberen zij niet langer rechtstreeks de hoeveelheid geld in de economie te sturen. Hun belangrijkste instrument is tegenwoordig het rentepercentage.
Maar nog belangrijker is dat de hyperinflatie in de Weimarrepubliek zeer specifieke oorzaken had. Die omstandigheden zijn niet van toepassing op onze tijd. Om dat duidelijk te maken moeten we terug naar het einde van de Eerste Wereldoorlog.
De rekening van Versailles
In 1919 kwamen de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog bijeen in Versailles om een vredesverdrag op te stellen. Vooral Frankrijk wilde Duitsland hard aanpakken. Dat had verschillende redenen. Frankrijk was in 1871 vernederd door de nederlaag in de Frans-Duitse Oorlog. Tot overmaat van ramp had de Duitse kanselier Bismarck juist in het paleis van Versailles het Duitse Keizerrijk uitgeroepen. Daarmee was Duitsland verenigd en ontstond er een nieuwe grote macht in Europa. Frankrijk, eeuwenlang een van de dominante landen op het continent, moest ineens een sterke concurrent naast zich dulden.
De Eerste Wereldoorlog had de Franse wrok verder versterkt. Grote delen van Noord-Frankrijk waren verwoest en miljoenen mensen waren omgekomen of gewond geraakt. Veel Franse politici wilden daarom voorkomen dat Duitsland ooit nog een bedreiging kon vormen.
Daar kwam nog iets bij. Frankrijk en Groot-Brittannië hadden tijdens de oorlog enorme bedragen geleend van de Verenigde Staten. Die schulden moesten worden terugbetaald. Daarom eisten de geallieerden hoge herstelbetalingen van Duitsland. Die moesten bovendien niet in Duitse marken worden voldaan, maar in goud of buitenlandse valuta zoals dollars. Tegelijkertijd verloor Duitsland delen van zijn industrie en grondgebied. Daarmee werd het land juist minder goed in staat gesteld om geld te verdienen via export.
Het transferprobleem
Hier ontstond een fundamenteel probleem. Een land kan altijd geld creëren in zijn eigen munt. Maar buitenlandse schulden kunnen niet worden betaald met zelf gecreëerd binnenlands geld. Daarvoor zijn buitenlandse valuta nodig. Duitsland moest dus dollars zien te verdienen. In de praktijk kon dat vooral door goederen naar het buitenland te exporteren. Maar juist die mogelijkheid werd sterk beperkt doordat een deel van de Duitse productiecapaciteit verloren was gegaan of inbeslaggenomen door de geallieerden en doordat de economie ernstig ontwricht was door de oorlog.
De Britse econoom John Maynard Keynes zag dit probleem. Keynes maakte als adviseur deel uit van de Britse delegatie in Versailles. Hij waarschuwde dat de vredesvoorwaarden economisch onhoudbaar waren. Duitsland kreeg verplichtingen opgelegd die het onmogelijk kon nakomen zonder ernstige schade aan zijn economie. Dat zou uiteindelijk niet alleen Duitsland treffen, maar heel Europa. Zijn waarschuwingen vonden echter weinig gehoor. Teleurgesteld verliet hij de conferentie.
Het probleem dat Keynes beschreef staat tegenwoordig bekend als het transferprobleem. Een land kan zijn binnenlandse betalingen misschien wel nakomen, maar daarmee heeft het nog niet automatisch de buitenlandse koopkracht om internationale verplichtingen te voldoen. Daarvoor moet het voldoende exporteren of op een andere manier buitenlandse valuta verdienen.
Een actuele les
Het transferprobleem behoort niet alleen tot het verleden. Ook binnen de Europese Unie zien we vergelijkbare vraagstukken terugkeren. Tijdens de Griekse schuldencrisis ging de discussie uiteindelijk niet alleen over schulden. De vraag was ook hoe Griekenland voldoende economische waarde kon creëren om die schulden daadwerkelijk terug te betalen.
Dezelfde vraag keert steeds terug: hoe organiseer je economische relaties tussen landen zodanig dat ze voor alle betrokkenen op lange termijn houdbaar blijven?
De betekenis voor het mondiale Zuiden
Ook veel landen in Afrika, Azië en Latijns-Amerika worden geconfronteerd met vergelijkbare uitdagingen. Vaak lenen zij geld in buitenlandse valuta. Dat maakt hen kwetsbaar. Als de dollar stijgt of de rente omhooggaat, kunnen schulden plotseling veel zwaarder worden. Daarnaast exporteren veel van deze landen grondstoffen die ze eigenlijk ook zelf zouden kunnen gebruiken voor hun eigen industriële ontwikkeling. Econoom Fadhel Kaboub wijst erop dat dit landen afhankelijk kan houden van het buitenland.
Toerisme wordt vaak gezien als een oplossing omdat het buitenlandse valuta oplevert. Dat is voor een deel ook waar. Toerisme zorgt voor werkgelegenheid en brengt dollars en euro’s binnen. Maar er zit een addertje onder het gras. Een aanzienlijk deel van die inkomsten stroomt vaak weer weg naar buitenlandse hotelketens, luchtvaartmaatschappijen, boekingsplatforms en investeerders. Economen spreken dan van lekkage.
Daardoor is de vraag niet alleen hoeveel geld een land verdient, maar ook hoeveel van dat geld daadwerkelijk in de eigen economie achterblijft. Zijn de hotels in lokaal bezit? Wordt het voedsel lokaal geproduceerd? Worden winsten opnieuw geïnvesteerd in het land zelf?
Volgens Kaboub draagt toerisme pas echt bij aan ontwikkeling wanneer het de productieve capaciteit van een land versterkt en de afhankelijkheid van buitenlandse valuta vermindert. Op dat punt raken zijn ideeën aan die van Keynes. Beiden kijken niet alleen naar geldstromen, maar vooral naar de economische structuren erachter.
De vergeten les van Weimar
De interessantste les van Versailles en de Weimarperiode gaat uiteindelijk niet over geldschepping of inflatie. De belangrijkste les is dat duurzame economische en politieke stabiliteit niet kan worden gebouwd op verzwakking van andere landen.
Keynes waarschuwde al in 1919 dat problemen ontstaan wanneer financiële verplichtingen groter worden dan wat economisch haalbaar is. Dat geldt binnen landen, maar ook tussen landen. De vraag is niet alleen of een schuld juridisch geldig is. De vraag is ook of de schuldenaar een reële mogelijkheid heeft om aan zijn verplichtingen te voldoen zonder zijn economie te ontwrichten. Wanneer dat evenwicht ontbreekt, ontstaan frustratie, wantrouwen en uiteindelijk politieke instabiliteit.
Wie Versailles alleen ziet als een waarschuwing tegen inflatie, mist daarom misschien de belangrijkste les. Versailles en Weimar laten zien dat economische stabiliteit uiteindelijk afhangt van evenwichtige verhoudingen tussen landen. Niet alleen in Europa, maar wereldwijd.
De centrale vraag is niet hoeveel geld wordt betaald, maar hoe handelsstromen, inkomensstromen en vermogensstromen zijn georganiseerd. Een duurzame internationale orde vraagt daarom om meer dan financiële discipline alleen. Zij vraagt ook aandacht voor wederzijdse afhankelijkheid, draagkracht en een zekere mate van economische rechtvaardigheid.
Dat was de boodschap die Keynes ruim een eeuw geleden probeerde over te brengen. Misschien is die vandaag wel actueler dan ooit.


