Europa, de euro en een vergeten probleem
Waarom kampt Europa nog steeds met werkloosheid en economische verschillen? Een korte geschiedenis van de Europese integratie en de invoering van de euro.
Het idee dat Europa meer is dan een verzameling losse landen is bepaald niet nieuw. Al sinds de tijd van het Romeinse Rijk bestaat het besef dat de Europese volkeren ondanks hun verschillen veel gemeen hebben. Na de val van het Romeinse Rijk slaagde Karel de Grote er zelfs in om grote delen van Europa opnieuw onder één bestuur te brengen. Daarom wordt hij door veel voorstanders van Europese samenwerking nog altijd gezien als een inspiratiebron.
Niet iedereen die naar Europese eenheid streefde deed dat echter vanuit idealistische motieven. Ook machthebbers als Napoleon en Hitler wilden een verenigd Europa, maar dan vooral onder leiding van hun eigen land.
De les van de Tweede Wereldoorlog
Na de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog ontstond een nieuwe vorm van Europese samenwerking. Het belangrijkste doel was simpel: voorkomen dat Europese landen ooit nog oorlog tegen elkaar zouden voeren.
De Verenigde Staten stimuleerden dit proces actief. De Amerikaanse hulp via het Marshallplan was zelfs gekoppeld aan nauwere samenwerking tussen Europese landen. Dat had meerdere redenen. De Amerikanen wilden een stabiele afzetmarkt voor hun industrie, maar maakten zich ook zorgen over de groeiende invloed van de Sovjet-Unie. Een economisch sterk en politiek stabiel West-Europa was daarom in het Amerikaanse belang.
In dezelfde periode ontstond ook het zogenoemde Bretton Woods-systeem. Daarbij werden internationale afspraken gemaakt over wisselkoersen. De Amerikaanse dollar was gekoppeld aan goud, terwijl andere valuta een vaste koers hadden ten opzichte van de dollar. Daarnaast werden het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank opgericht.
De eerste stappen naar een Europese economie
In de jaren vijftig werd de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGSK) opgericht. Later groeide deze uit tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG), de voorloper van de huidige Europese Unie.
Het doel was een gezamenlijke Europese markt te creëren waarin handel steeds gemakkelijker werd. Daarbij speelde het landbouwbeleid een belangrijke rol. Een groot deel van het EEG-budget ging naar landbouwsubsidies. De lidstaten betaalden daaraan mee, terwijl boeren en landbouwbedrijven subsidies ontvingen.
Omdat de deelnemende landen nog verschillende valuta hadden, moesten alle betalingen worden omgerekend. Dat ging een stuk eenvoudiger zolang de wisselkoersen min of meer vastlagen.
Waarom vaste wisselkoersen zo moeilijk zijn
Op papier lijken vaste wisselkoersen aantrekkelijk. In de praktijk zijn ze echter lastig vol te houden.
De waarde van een munt wordt voortdurend beïnvloed door internationale handel en kapitaalstromen. Als veel mensen een bepaalde munt willen hebben, stijgt de koers. Daalt de vraag, dan zakt de koers.
Onder het Bretton Woods-systeem moesten centrale banken ingrijpen zodra de wisselkoers te veel afweek van de afgesproken waarde. Dat betekende dat zij hun eigen valuta moesten kopen of verkopen.
Voor landen met een handelstekort leverde dit problemen op. Zij hadden buitenlandse valuta nodig om hun eigen munt te ondersteunen. Frankrijk bevond zich regelmatig in zo’n situatie. Om de druk op de wisselkoers te verminderen zag de Franse overheid zich vaak genoodzaakt de economie af te remmen.
Duitsland had juist het tegenovergestelde probleem. Door de sterke export was er veel vraag naar de Duitse mark. Dat dreef de koers omhoog. De Duitse centrale bank had extra marken kunnen creëren om dat tegen te gaan, maar vreesde inflatie. De herinnering aan de hyperinflatie van de jaren twintig speelde daarbij een belangrijke rol. Duitsland koos daarom vaak voor hogere rente en een terughoudend begrotingsbeleid.
Op die manier hadden internationale muntafspraken directe gevolgen voor het nationale economische beleid.
Het einde van Bretton Woods
In 1971 viel het Bretton Woods-systeem uiteen. Steeds meer landen bleken niet langer bereid of in staat om de vaste wisselkoersen te verdedigen.
Europese landen probeerden daarna toch de onderlinge koersschommelingen beperkt te houden. In het zogenaamde systeem van de “slang in de tunnel” mochten valuta slechts binnen bepaalde marges bewegen.
Ook dit bleek moeilijk. Regelmatig moesten landen hun munt herwaarderen of devalueren om economische verschillen op te vangen. Toch bleef het verlangen bestaan om de wisselkoersen zoveel mogelijk stabiel te houden.
Van Keynes naar monetarisme
In de eerste decennia na de oorlog voerden veel Europese landen een actief economisch beleid. Overheden stimuleerden de economie wanneer dat nodig was, ook als daardoor begrotingstekorten ontstonden. Werkloosheid werd gezien als een probleem dat bestreden moest worden.
Deze aanpak was sterk beïnvloed door de ideeën van de Britse econoom John Maynard Keynes.
Vanaf de jaren zeventig veranderde het economische denken echter ingrijpend. Steeds meer invloed kregen economen en politici die vonden dat overheden zich terughoudender moesten opstellen. Inflatiebestrijding kreeg prioriteit boven het bestrijden van werkloosheid. Begrotingstekorten en staatsschulden moesten zoveel mogelijk worden beperkt.
Hierdoor kregen nationale overheden minder mogelijkheden om economische tegenvallers op te vangen.
Maastricht en de geboorte van de euro
Toen de Europese integratie eind jaren tachtig en begin jaren negentig verder werd verdiept, ontstond de vraag hoe economische verschillen tussen landen moesten worden opgevangen binnen een steeds hechter Europa.
Verschillende economen wezen erop dat een muntunie alleen goed kan functioneren als er ook sterke gezamenlijke economische en politieke instellingen bestaan. Toch werd bij het Verdrag van Maastricht uit 1992 gekozen voor een constructie waarin vooral de monetaire kant centraal stond.
Er kwam een onafhankelijke Europese Centrale Bank (ECB) met als hoofdtaak het bewaken van prijsstabiliteit. Tegelijkertijd kregen lidstaten strenge regels opgelegd voor hun begrotingstekorten en staatsschulden.
Wat ontbrak was een krachtig gezamenlijk begrotingsbeleid waarmee economische verschillen tussen landen konden worden opgevangen. De verantwoordelijkheid daarvoor bleef grotendeels bij de afzonderlijke lidstaten liggen, terwijl hun beleidsruimte juist werd beperkt.
Critici waarschuwden destijds dat de economische unie daardoor onvolledig zou blijven. Achteraf gezien is die discussie nooit helemaal verdwenen.
Het probleem van vandaag
De Europese economie kent nog steeds aanzienlijke verschillen tussen landen en regio’s. Tegelijkertijd hebben nationale regeringen maar beperkt de mogelijkheid om zelfstandig economisch beleid te voeren.
Dat roept een fundamentele vraag op: hoe gaan we om met de beschikbare arbeidscapaciteit in Europa?
Miljoenen mensen in de Europese Unie zijn op zoek naar werk. Vooral onder jongeren ligt de werkloosheid vaak aanzienlijk hoger dan het gemiddelde. Dat betekent dat een groot aantal mensen die graag wil bijdragen aan de samenleving, daar niet of slechts gedeeltelijk de kans toe krijgt.
Volgens critici van het huidige economische model is dat niet alleen economisch inefficiënt, maar ook maatschappelijk ongewenst. In een tijd waarin Europa voor grote uitdagingen staat — van woningbouw en energietransitie tot defensie en infrastructuur — zou die capaciteit juist hard nodig kunnen zijn.
Europa heeft zich in een hoek geschilderd. Het heeft zichzelf een structuur opgelegd waarmee het niet mogelijk is om de beschikbare capaciteit ten volle te benutten ten gunste van de gemeenschappelijke welvaart. De Europese muntunie is nog altijd een bouwwerk dat nooit helemaal is afgemaakt?


