Waarom we overal in Europa blijven vastlopen
nieuwe regering, oude economische ideeën
Na het terugtreden van Keir Starmer staat het VK nu aan de vooravond van opnieuw een nieuwe premier. Het ziet ernaar uit dat het Andy Burnham wordt, de populaire Labour burgemeester van Manchester die onlangs een zetel in het parlement heeft verworven. Hij zou, als hij komt, de zevende premier in 10 jaar tijd worden. Zou hij daadwerkelijk het VK weer op de rails kunnen krijgen? Kan hij de economie en publieke voorzieningen daadwerkelijk verbeteren en daarmee het levenspeil van de bevolking verhogen? Velen hebben het beloofd. Velen hebben het geprobeerd. En allen mislukten daarin. Ook al kwamen de premiers uit verschillende politieke kampen, ze verschilden niet wezenlijk in hun visie over de economie. Ze vertelden allemaal hetzelfde verhaal, namelijk dat
De regering zelf geen geld heeft;
De overheidsuitgaven afhankelijk zijn van belastinginkomsten;
Tekorten gevaarlijk zijn;
Staatsschuld een zware last is voor het land;
Financiële markten worden gerustgesteld;
Groei het antwoord is op vrijwel elk probleem.
Het daaruit voortvloeiende beleid was dan ook niet echt verschillend. De gevolgen zijn duidelijk. De gezondheidszorg en het onderwijs brokkelen af. Infrastructuur wordt onvoldoende onderhouden en vernieuwd. Ongelijkheid is toegenomen. Kansen op passende woonruimte zijn afgenomen. Meer mensen zijn afhankelijk van voedselbanken.
Gaat Andy Burnham het anders doen? Ik denk het niet. Dat zou pas kunnen als zijn opvattingen over de werking van de economie echt wezenlijk anders zijn. Maar daar ziet het niet echt naar uit.
Is het VK hier uniek in? Helaas niet. Het is opvallend hoezeer verschillende Europese landen - en waarschijnlijk ook landen daarbuiten - met dezelfde problemen kampen. Nummer 1 is natuurlijk het veranderende klimaat - dat houdt zich niet aan landsgrenzen. Maar ook andere problemen kun je gerust universeel noemen. Overal hebben jongeren moeite met het vinden van een woning. Gezondheidszorg en onderwijs staan onder druk, ongelijkheid groeit en maatschappelijke samenhang brokkelt af.
Er heerst overal dezelfde visie op de werking van de economie. De kern daarvan wordt te weinig ter discussie gesteld. Laat staan dat er wezenlijke ruimte komt voor echte verandering.
Vanaf de jaren 1980 heeft zich in het denken van rechts tot links een diepe overtuiging post gevat dat
Marktwerking goed is;
De overheid zelf het grote probleem is;
Openbare voorzieningen inherent inefficiënt zijn;
Belastingen een last zijn voor de maatschappij;
Het economische succes kan worden afgemeten aan de groei van het BBP.
Dit is het denkraam dat het beleid al decennia stuurt. De vraag is: klopt dit raam eigenlijk wel?
De laatste jaren worden er weliswaar meer kanttekeningen bij geplaatst. Zo is menigeen teruggekomen op het aanvankelijke enthousiasme voor privatisering van nutsvoorzieningen. Toch wordt de kern ervan naar mijn oordeel te weinig bevraagd en durven politieke partijen te weinig van die koers af te wijken.
Als je doet wat je deed, krijg je wat je kreeg. Meer van hetzelfde dus en een verdere aftakeling van onze maatschappij.
Maar hoe moet het dan anders? Moeten we het kapitalisme dan radicaal afzweren? De geschiedenis van de Sovjet-Unie suggereert dat dat geen werkbaar alternatief is. Of wijst China juist op een ander model? En hoe serieus moeten we libertaire alternatieven zoals Bitcoin nemen?
Nee - al valt van al deze modellen wel iets te leren. Maar laten we eerst leren hoe ons eigen model werkt. Een goed begrip van de werking van de financieel-economische processen van de staat geeft zicht op de mogelijkheden om de tot nog toe onbenutte capaciteiten in onze economie in te zetten ten behoeve van een florerende, eerlijke en duurzame maatschappij.
Een onmisbare bron hiervoor is de Moderne Monetaire Theorie (MMT). Deze stroming van de zogenoemde Post-Keynesiaanse economische wetenschap onderzoekt op empirische wijze hoe de staat uitgaven doet en het mogelijk maakt dat de capaciteiten van haar burgers worden ingezet ten behoeve van publieke voorzieningen die de basis vormen voor een florerende samenleving. En zij leert dat serieuze bedenkingen zijn te maken bij wat men sinds de jaren 1980 als waarheid heeft aangenomen.
Een van de belangrijkste lessen is dat de staat zelf geld creëert. Dat gebeurt door het uit te geven aan bijvoorbeeld de mensen en middelen die nodig zijn voor het bouwen van een school. Op dat moment creëert de centrale bank de daarvoor benodigde centrale bankreserves en komt het geld via de aangesloten banken bij de beoogde ontvangers. Deze gebruiken het voor transacties met andere burgers en voor het doen van belastingbetalingen. De belastingbetaling verloopt via de omgekeerde weg en leidt tot vernietiging van centrale bankreserves.
Dit betekent dat belastinginkomsten niet nodig zijn voor het kunnen doen van uitgaven door de staat. Geld is dus geen beperking voor de staat om te investeren in de verbetering van de maatschappij. Maar dit betekent niet dat de staat onbeperkt geld kan uitgeven. De echte beperking ligt niet in geld, maar in de beschikbaarheid van mensen, materialen, kennis en ecologische ruimte. Als er niet genoeg bakstenen zijn voor de school die gebouwd moet worden dan is het niet verstandig om andere afnemers van die stenen uit de markt te drukken door de prijs op te voeren.
Het is zeer de moeite waard om deze en andere lessen van MMT ter harte te nemen als we verbetering van onze maatschappij echt serieus nemen.
De vraag is dus niet zozeer wie de volgende premier wordt, maar welk verhaal hij durft te vertellen. Zolang politici vasthouden aan aannames die niet of slechts ten dele kloppen, zullen de uitkomsten hetzelfde blijven. Werkelijke verandering begint bij een beter begrip van hoe onze economie werkt — en bij de bereidheid om daar consequenties aan te verbinden. Pas dan ontstaat ruimte voor beleid dat niet wordt begrensd door financiën, maar door de werkelijke grenzen van onze samenleving: mensen, middelen en de planeet.


