Sparen? Dan moet iemand anders in de schulden
Waarom onze economie niet draait op zuinigheid — en wat dat zegt over staatsschuld en Europa
Ik heb op deze site al vaker geschreven over de Duitse econoom Heiner Flassbeck. Hoewel hij inmiddels met pensioen is, is hij nog altijd actief met boeken, blogs en video’s. Een recent interview met hem vormde de aanleiding voor dit stuk.
Een van Flassbecks belangrijkste inzichten is verrassend simpel: als de één spaart, moet een ander juist schulden maken om de economie draaiende te houden. Gebeurt dat niet, dan neemt de economische activiteit af. Sterker nog, in een groeiende economie is vaak zelfs méér schuld nodig. Sparen en schulden zijn dus onlosmakelijk met elkaar verbonden — twee kanten van dezelfde medaille.
Om dit beter te begrijpen, kun je de economie opdelen in drie sectoren:
de private sector (huishoudens en bedrijven),
de publieke sector (de overheid),
en het buitenland.
Huishoudens willen bijna altijd wel een buffer opbouwen: een appeltje voor de dorst. In de decennia na de Tweede Wereldoorlog waren het vooral bedrijven die juist investeerden en daarvoor schulden maakten. Maar dat beeld is sinds de jaren tachtig veranderd. Bedrijven zijn tegenwoordig als geheel óók spaarders geworden.
Dat roept een belangrijke vraag op: als zowel burgers als bedrijven sparen, wie maakt dan de schulden die nodig zijn om de economie draaiende te houden?
Voor landen als Nederland en Duitsland ligt het antwoord deels in het buitenland. Deze landen exporteren meer dan ze importeren, waardoor er geld vanuit andere landen naar binnen stroomt. In feite maken andere landen dan schulden die het spaargedrag hier mogelijk maken.
Maar wat als een land géén handelsoverschot heeft — of zelfs een tekort, zoals Frankrijk? Dan blijft er nog maar één partij over die die rol kan vervullen: de overheid. Dat helpt verklaren waarom de staatsschuld in Frankrijk veel hoger is dan in Duitsland.
Dit raakt aan de afspraken die begin jaren negentig zijn gemaakt in het Verdrag van Maastricht. Daarmee werd de basis gelegd voor de euro en de Economische Monetaire Unie. Nationale munten verdwenen, en er kwamen strenge regels voor begrotingstekorten en staatsschuld. Vooral Duitsland heeft sterk aangedrongen op die discipline.
Die afspraken kwamen niet uit het niets. Rond de val van de Berlijnse Muur waren Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk terughoudend over de Duitse hereniging. Ze vreesden een te machtig Duitsland. Een gezamenlijke munt was een manier om Duitsland sterker in Europa te verankeren (Internationale goedkeuring - Duitsland Instituut). Duitsland ging akkoord, maar alleen onder de voorwaarde dat die munt zou lijken op de stabiele D-mark — inclusief strenge begrotingsregels.
Volgens Flassbeck zijn die regels uiteindelijk ongelukkig uitgepakt. Landen hebben soms juist ruimte nodig om schulden te maken, afhankelijk van het spaargedrag van burgers en bedrijven en de handelspositie. Die flexibiliteit ontbreekt nu vaak. Dat schaadt niet alleen de economie, maar ook de onderlinge solidariteit binnen Europa.
Er blijven daarbij ook open vragen. Waarom zijn bedrijven eigenlijk minder gaan investeren en lenen? Daar heb ik geen duidelijk antwoord op. Wel valt op dat deze ontwikkeling samenvalt met een verschuiving: inkomen uit arbeid is relatief minder belangrijk geworden, terwijl inkomen uit vermogen juist groeide. Misschien is de vraag naar producten daardoor minder hard gegroeid, en zien bedrijven minder reden om te investeren.
Een andere vraag is of burgers misschien niet té veel sparen. Wanneer is genoeg eigenlijk genoeg? In een samenleving waarin sociale zekerheden worden afgebouwd en mensen steeds meer zelf voor hun pensioen moeten zorgen, is het logisch dat ze voorzichtig blijven en blijven sparen.
Dat de Maastricht-regels tekortkomingen hebben, werd overigens al vroeg gesignaleerd. In 1992 schreef econoom Wynne Godley het artikel “Maastricht and All That”. Daarin wees hij op een fundamenteel probleem: er kwam wel een gezamenlijke centrale bank, maar geen Europese tegenhanger van een nationale overheid.
Zijn punt was simpel maar scherp: als je landen een munt laat delen, heb je ook gezamenlijke instituties nodig die economische schokken kunnen opvangen — iets wat nationale overheden normaal gesproken doen. Die ontbreken grotendeels op Europees niveau.
Die lacune bestaat vandaag de dag nog steeds.


