Laat spaarders met rust — het is de beurt aan banken en overheid
Met enige regelmaat klinkt de oproep aan Nederlanders met spaargeld: steek het in startups, in innovatie, in de economie van morgen. Die ondertoon zat ook duidelijk in een artikel in het AD van 22 december 2025 (https://www.ad.nl/economie/geld-nodig-voor-economie-en-daar-moet-ons-spaargeld-bij-helpen-beleggen-is-fiscaal-niet-aantrekkelijk~ad995218/). De boodschap: spaarders moeten meer risico nemen, want anders komt de innovatie niet van de grond.
Maar die redenering wringt. Het suggereert dat Nederlandse spaarders te voorzichtig zijn -- terwijl het echte probleem ergens anders zit.
In deze post leg ik uit waarom de focus op spaarders misplaatst is, en waarom het vooral de overheid en de banken zijn die hun rol moeten pakken.
Bedrijven hebben kapitaal nodig — maar dat kan op veel manieren
Wie wil innoveren, heeft geld nodig. Dat kapitaal kan op verschillende manieren bij elkaar komen:
Een lening bij een bank
Een lening buiten de bank om
Het uitgeven van obligaties
Het uitgeven van aandelen,
via de beurs
via private equity
Voor al deze vormen geldt: de financier loopt risico en verwacht daar een beloning voor. Die komt in de vorm van rente, dividend, koerswinst of een winstaandeel.
De vaak herhaalde diagnose luidt: er is te weinig geld voor innovatieve bedrijven. Maar dat roept een logische vraag op:
Hoe kan dat, als banken in principe geld kunnen creëren door leningen te verstrekken?
Het echte probleem: banken zijn risico’s gaan mijden
Sinds de financiële crisis van 2008/2009 zijn banken voorzichtiger geworden. De regels zijn aangescherpt, de risico-aversie is toegenomen.
Wat zie je vervolgens gebeuren?
Banken steken minder geld in productieve investeringen, zoals nieuwe bedrijven of technologie.
In plaats daarvan financieren ze liever de aanschaf van financiële producten -- transacties die winstgevend zijn, maar niets bijdragen aan innovatie of productiviteit.
Dit proces heet financialisering: geld verdient geld, maar de samenleving schiet er weinig mee op (zie ook het boek van Dirk Bezemer: Een land van kleine buffers: er is geld genoeg maar we gebruiken het verkeerd).
Blijkbaar vinden banken de verhouding tussen risico en rendement bij innovatieve projecten simpelweg niet aantrekkelijk genoeg.
Maar is het dan logisch om de risico’s maar bij de spaarders te leggen? Lijkt me niet. De risico’s veranderen daar immers niet door.
Hoe de overheid wél kan helpen
Innovaties brengen nu eenmaal meer onzekerheid met zich mee. Of iets een succes wordt, weet je pas achteraf. Dat is precies waar de overheid een rol kan spelen.
Met bijvoorbeeld:
garantieregelingen
risicodeling
cofinanciering
Daardoor wordt de risicobeloningverhouding voor banken én spaarders beter, en komen projecten wél van de grond.
Kortom: je kunt risico’s verminderen. Maar dat lukt niet door simpelweg naar spaarders te wijzen.
Bovendien: bedrijven zelf sparen óók massaal
Innovatie is niet afhankelijk van een paar miljoen spaarders. Bedrijven zitten zelf op enorme spaartegoeden.
Historisch gezien is er iets opvallends gebeurd:
In de decennia na de Tweede Wereldoorlog hadden bedrijven een negatieve spaarsaldo: ze leenden om te investeren.
Vanaf de jaren 80 draaide dat om: bedrijven zijn als geheel positief gaan sparen -- en dat doen ze al tientallen jaren.
Met andere woorden: ook binnen het bedrijfsleven is ruim voldoende kapitaal aanwezig. Het geld is er dus wél.
De conclusie: laat spaarders met rust
Er is geen reden om morele druk uit te oefenen op individuele spaarders.
Innovaties kunnen prima gefinancierd worden met bankleningen en met de middelen die bedrijven zelf al hebben.
En ook de integratie van Europese kapitaalmarkten is geen harde voorwaarde voor de financiering van de innovaties die mensen als Mario Draghi en Peter Wennink terecht belangrijk vinden.
Het echte werk ligt bij banken en overheid -- niet bij de spaarder.


