Hoe Europa in de greep raakte van het neoliberale denken
Van wederopbouw naar neoliberalisme: hoe Europa economisch vastliep
Na de Tweede Wereldoorlog stond Europa voor een enorme opgave. Steden lagen in puin, industrieën waren verwoest en miljoenen mensen hadden hun leven of bestaanszekerheid verloren. Toch brak er een periode aan van optimisme. Met steun van het Amerikaanse Marshallplan werd gewerkt aan wederopbouw, economische groei en Europese samenwerking. Tegelijkertijd vormde de opkomst van het communisme in Oost-Europa een extra stimulans om een welvarend en stabiel West-Europa op te bouwen.
Een belangrijk doel van het economische beleid was volledige werkgelegenheid. Iedereen die wilde werken, moest kunnen werken. Dat was niet alleen nodig voor de wederopbouw, maar werd ook gezien als een voorwaarde voor sociale stabiliteit en welzijn. Dit denken sloot nauw aan bij de ideeën van de Britse econoom John Maynard Keynes. Overheden accepteerden daarbij een actieve rol voor zichzelf in de economie.
Anders dan tegenwoordig investeerden bedrijven volop in nieuwe fabrieken, machines en infrastructuur. Daarvoor gingen zij leningen aan. Die investeringen zorgden voor groei van productie en werkgelegenheid. Burgers zagen hun inkomens stijgen en konden vermogen opbouwen. Tegelijkertijd bleven overheidstekorten relatief beperkt. De economische groei werd immers vooral gedragen door de particuliere sector. Wie kijkt naar de zogenaamde sectorale balansen ziet hoe bedrijfsinvesteringen in die periode een belangrijke motor vormden achter de toenemende welvaart.
Inflatie als grootste angst
Hoewel de economie groeide, bleef één zorg voortdurend aanwezig: inflatie.
In de naoorlogse economische wereld werd inflatie vooral gezien als een monetair verschijnsel. Te veel geld dat achter te weinig goederen en diensten aanjaagt, zou leiden tot prijsstijgingen. Beleidsmakers gingen ervan uit dat er een afruil bestond tussen werkloosheid en inflatie. Als prijzen te snel begonnen te stijgen, kon de economie worden afgeremd door iets meer werkloosheid te accepteren.
Vanuit het perspectief van die tijd leek dat een werkbare aanpak. Dankzij de sterke economische groei van de jaren vijftig en zestig bleef de werkloosheid laag en bleef de inflatie meestal beheersbaar.
De oliecrises zetten alles op zijn kop
Dat veranderde abrupt in de jaren zeventig.
Door productiebeperkingen van olieproducerende landen stegen de energieprijzen explosief. De oliecrises van 1973 en 1979 veroorzaakten een schok die zich door de hele economie verspreidde. Bedrijven kregen te maken met hogere kosten, consumenten zagen hun koopkracht afnemen en economische groei viel terug.
Wat ontstond was iets wat veel economen voor onmogelijk hadden gehouden: stagflatie. Een combinatie van economische stagnatie, hoge werkloosheid én hoge inflatie.
De bestaande economische modellen konden dit fenomeen niet goed verklaren. Inflatie werd vooral gezien als een gevolg van overmatige vraag, terwijl de prijsstijgingen nu juist voortkwamen uit beperkingen aan de aanbodzijde van de economie. Tegelijkertijd beschikten vakbonden nog over een sterke onderhandelingspositie, waardoor loonstijgingen de prijsdruk verder konden versterken.
Het vertrouwen in het bestaande economische denken raakte daardoor ernstig beschadigd.
De opkomst van het monetarisme
In deze situatie kregen andere economische ideeën steeds meer invloed. Vooral het monetarisme, verbonden aan economen zoals Milton Friedman, won terrein.
Het monetarisme legde sterk de nadruk op prijsstabiliteit en een beperkte rol van de overheid. Uit deze stroming ontwikkelde zich later het bredere neoliberale denken dat vanaf de jaren tachtig het economische beleid in veel westerse landen zou domineren.
Kenmerkend voor deze benadering waren onder andere:
grote aandacht voor het bestrijden van inflatie;
de overtuiging dat overheidsuitgaven inflatie kunnen aanwakkeren;
vertrouwen in marktwerking als belangrijkste coördinatiemechanisme;
een voorkeur voor een kleinere overheid;
nadruk op lage begrotingstekorten en beperkte staatsschulden;
het idee dat maatschappelijke problemen zoveel mogelijk door de private sector moeten worden opgelost.
Politieke leiders als Ronald Reagan in de Verenigde Staten en Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk werden de bekendste vertegenwoordigers van deze koerswijziging. Vanaf de jaren negentig sloten ook veel sociaaldemocratische partijen zich in meer of mindere mate bij dit denken aan. Voorbeelden zijn Bill Clinton, Tony Blair en in Nederland Wim Kok.
Maastricht en de euro
De invloed van dit gedachtegoed is ook duidelijk zichtbaar in de manier waarop de Europese Unie en later de euro zijn vormgegeven.
In de beginfase van de plannen voor monetaire samenwerking werd nog nagedacht over de noodzaak van een gezamenlijke Europese begrotingspolitiek en bijbehorende democratische instellingen. Naarmate het neoliberale denken terrein won, verdween dit echter steeds meer naar de achtergrond.
Het Verdrag van Maastricht uit 1992 legde uiteindelijk de basis voor een monetaire unie met een krachtige Europese Centrale Bank, maar zonder een volwaardige Europese begrotingsautoriteit. De deelnemende landen werden bovendien onderworpen aan strikte regels voor begrotingstekorten en staatsschulden.
Daardoor ontstond een systeem waarin monetair beleid wel op Europees niveau werd georganiseerd, maar begrotingsbeleid grotendeels nationaal bleef en tegelijk sterk werd ingeperkt.
De gevolgen
Volgens critici heeft deze inrichting belangrijke nadelen gehad.
Tijdens economische neergangen bleek het moeilijk om voldoende stimulerend beleid te voeren. Overheden werden juist gedwongen te bezuinigen op momenten dat de economie extra steun nodig had. Daardoor ontstond vaak procyclisch beleid: maatregelen die economische schommelingen versterken in plaats van dempen.
De gevolgen waren zichtbaar tijdens meerdere Europese crises. Vooral de schuldencrisis in Zuid-Europa liet zien hoe landen als Griekenland geconfronteerd werden met langdurige economische krimp, hoge werkloosheid en forse sociale kosten.
Vanuit dit perspectief heeft Europa zichzelf beperkingen opgelegd die de economische ontwikkeling en het welzijn van burgers hebben afgeremd. De vraag is zelfs of het huidige welvaartsniveau lager ligt dan mogelijk was geweest wanneer andere economische keuzes waren gemaakt.
De vraag voor de toekomst
Dat brengt ons bij een belangrijke vraag.
Als de afgelopen decennia inderdaad te sterk zijn beïnvloed door de dogma’s van het monetarisme en het neoliberalisme, hoe kunnen we dat dan herstellen?
Is er meer ruimte nodig voor actief overheidsbeleid? Moet Europa beschikken over een eigen begrotingscapaciteit die economische schokken kan opvangen? Zijn de huidige regels rond overheidstekorten en staatsschulden nog passend voor de uitdagingen van deze tijd? En hoe verhouden investeringen in defensie, klimaat, energie en infrastructuur zich tot die regels? Of moeten we de muntunie in zijn geheel ter discussie stellen en de mogelijkheid onderzoeken om terug te gaan naar nationale valuta?
Dat zijn geen technische vragen voor economen alleen. Het zijn politieke keuzes die bepalen hoeveel welvaart, zekerheid en kansen toekomstige generaties zullen hebben.
De discussie over de economische inrichting van Europa is daarom niet alleen een debat over geld. Uiteindelijk gaat zij over de samenleving die we willen bouwen.


