De schaduwzijde van het BBP
Waarom onze belangrijkste economische graadmeter aan herziening toe is
Inleiding
Wanneer politici, economen en journalisten de gezondheid van een economie willen beschrijven, grijpen ze vrijwel altijd naar één getal: het Bruto Binnenlands Product, kortweg het BBP. Groeit het? Dan gaat het goed. Krimpt het? Dan is er reden tot zorg. Maar achter deze ogenschijnlijk objectieve maatstaf schuilt een verhaal dat veel ongemakkelijker is dan we ons doorgaans realiseren. Het BBP meet namelijk niet wat we denken dat het meet, en dat heeft verstrekkende gevolgen — tot in de begrotingsregels van de Europese Unie aan toe.
Hoe het BBP ontstond: een kind van de crisis
Het BBP is geen tijdloos concept. De basis ervoor werd in de jaren dertig van de twintigste eeuw gelegd door de Amerikaanse econoom Simon Kuznets, in opdracht van het Amerikaanse Congres. Tijdens de Grote Depressie hadden beleidsmakers behoefte aan één samenhangend cijfer dat de omvang van de economische ineenstorting in beeld kon brengen. Kuznets leverde dat cijfer (oorspronkelijk in de vorm van het Bruto Nationaal Product1), maar waarschuwde meteen voor een misverstand dat hem bleef achtervolgen: zo’n cijfer zegt iets over de productie van een land, maar niets over het welzijn van zijn inwoners. De welvaart van een natie, zo schreef hij, kan niet worden afgeleid uit een meting van het nationaal inkomen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog kreeg het concept een tweede leven als instrument voor oorlogsplanning, en in de naoorlogse decennia groeide het uit tot het ankerpunt van economisch beleid wereldwijd. De Bretton Woods-instellingen, het IMF en later de OESO maakten het tot de standaardmaat. Wat begon als een noodinstrument werd zo de lens waardoor we de economie zijn gaan bekijken — vaak zonder ons af te vragen of die lens nog wel scherp stelt op wat we eigenlijk willen zien.
Wat het BBP allemaal meetelt — ook als we dat liever niet zouden willen
De eerste fundamentele kritiek op het BBP is dat het waardenvrij is op een manier die schadelijk uitpakt. Het cijfer telt alle economische activiteit op, ongeacht of die activiteit ons als samenleving rijker of armer maakt.
Een paar voorbeelden maken dit pijnlijk duidelijk. Een groot verkeersongeluk is in BBP-termen goed nieuws: er moeten auto’s worden gerepareerd of vervangen, er is werk voor ambulancepersoneel, ziekenhuizen, advocaten en verzekeraars. Een natuurramp die hele wijken verwoest, leidt tot een golf van bouwactiviteit die het BBP omhoog stuwt. Milieuvervuiling die later met dure saneringen moet worden opgeruimd, telt twee keer mee: één keer bij de oorspronkelijke vervuilende productie, en nog een keer bij de schoonmaak. Criminaliteit die leidt tot meer beveiligingsbedrijven, meer sloten, meer alarmsystemen — het komt allemaal terecht in de plus-kolom.
Tegelijkertijd blijven veel zaken die onmiskenbaar waarde toevoegen aan een samenleving volledig buiten beeld. Onbetaalde mantelzorg, vrijwilligerswerk, opvoeding, huishoudelijke arbeid: allemaal economisch onzichtbaar. Een ouder die zelf voor de kinderen zorgt, draagt formeel niets bij aan het BBP; wordt diezelfde zorg uitbesteed aan een kinderdagverblijf, dan stijgt het BBP. De activiteit is grotendeels dezelfde, het effect op het cijfer is tegengesteld.
Boekhoudkundige fictie: wanneer het BBP dingen meetelt die er niet zijn
Naast wat het BBP wél meetelt maar misschien niet zou moeten meetellen, is er een tweede, technischer probleem: het BBP bevat posten die in de werkelijke economie helemaal niet als geldstroom bestaan. Het Nederlandse eigenwoningforfait is daarvan een sprekend voorbeeld.
Het idee achter het eigenwoningforfait is dat een eigenaar-bewoner geacht wordt zichzelf “huur” te betalen voor het wonen in zijn eigen huis. Die fictieve huur — een bedrag dat nooit van de ene rekening naar de andere gaat, dat door niemand wordt verdiend en door niemand wordt uitgegeven — wordt vervolgens opgeteld bij het nationaal inkomen. Statistisch gezien is daar iets voor te zeggen: huurders en kopers worden zo vergelijkbaar gemaakt. Maar het gevolg is wel dat een aanzienlijk deel van het BBP bestaat uit transacties die nooit hebben plaatsgevonden.
Iets soortgelijks geldt voor de toegerekende waarde van overheidsdiensten, voor schattingen van de informele economie en sinds 2014 zelfs — op Europees voorschrift — voor de geschatte omzet van prostitutie en drugshandel. Het BBP is daarmee deels een statistische constructie die los is komen te staan van de economie zoals burgers en bedrijven die dagelijks ervaren.
De gevolgen: wankele beleidsregels op een wankele basis
Als het BBP zelf al een vertekend beeld geeft, dan geldt dat per definitie ook voor alle kengetallen die als percentage van het BBP worden uitgedrukt. En dat zijn er veel — sommige met grote politieke consequenties.
Het bekendste voorbeeld zijn de regels van het Europese Stabiliteits- en Groeipact, dat in 1997 werd vastgelegd: het jaarlijkse begrotingstekort van een lidstaat mag niet hoger zijn dan 3% van het BBP, en de staatsschuld niet meer dan 60% van het BBP. Deze percentages worden vaak gepresenteerd alsof ze fundamentele economische wetmatigheden zijn, maar in werkelijkheid zijn ze niet meer dan een breuk waarvan zowel de teller als de noemer ter discussie staan. De noemer — het BBP — bevat zoals we zagen fictieve posten en telt schadelijke activiteit als positief mee. Dat betekent dat een land in zekere zin zijn schuldquote kan verbeteren door meer files, meer milieuschade of een hoger eigenwoningforfait, zonder dat er ook maar iets is veranderd aan de werkelijke economische draagkracht.
Hetzelfde geldt voor de NAVO-norm van 2% van het BBP voor defensie-uitgaven, voor doelstellingen rond ontwikkelingssamenwerking, en voor onderzoeks- en onderwijsuitgaven die als percentage van het BBP worden geformuleerd. Stuk voor stuk zijn het afspraken die hun ankerpunt ontlenen aan een grootheid waarvan de betekenis op zijn minst betwistbaar is.
Conclusie: tijd voor een rijker beeld
Het BBP is geen slecht instrument omdat het verkeerd is berekend, maar omdat het iets anders meet dan waarvoor we het inzetten. Kuznets zelf waarschuwde er al voor: een productiemaat is geen welvaartsmaat, en zeker geen welzijnsmaat. Door het BBP toch tot universele graadmeter te verheffen, hebben we een systeem opgebouwd waarin schadelijke activiteit als groei wordt geboekt, onbetaalde waardevolle arbeid onzichtbaar blijft, en bindende beleidsregels rusten op een fundament van deels fictieve cijfers.
Dat betekent niet dat het BBP de prullenbak in moet. Als ruwe indicator van economische activiteit heeft het zijn nut. Maar het zou niet langer alléén leidend mogen zijn. Initiatieven als de Monitor Brede Welvaart van het CBS en de Better Life Index van de OESO laten zien dat het kan: economische gezondheid meten zonder welzijn, leefomgeving en verdeling uit het oog te verliezen. Zolang we ons blijven blindstaren op één getal, blijven we beleid voeren op basis van een kaart waarop de helft van het landschap ontbreekt — en de andere helft soms is ingetekend op plaatsen waar in werkelijkheid niets te zien is.
BBP (Bruto Binnenlands Product) kijkt naar wat er binnen de grenzen van een land wordt geproduceerd, ongeacht wie de producent is.
BNP (Bruto Nationaal Product) kijkt naar wat inwoners en bedrijven van een land produceren, ongeacht waar ter wereld zij dat doen.


